| Voorwoord Vijftig word je niet elke dag. Het is een leeftijd om even
bij stil te staan, een mijlpaal zogezegd.
Het bereiken van die leeftijd leek mij een leuke
aanleiding om 50 van mijn gedichten te laten bundelen en aan vrienden, familie en bekenden
cadeau te doen. Het schrijven van gedichten is een liefhebberij van mij, ik beleef veel
plezier aan het spelen met taal en het scheppen van een bepaalde sfeer. Sommige gedichten
zijn autobiografisch, andere daarentegen uitdrukkelijk niet. Ook zijn er gedichten over
mijn geboorte- en woonplaats Den Haag in deze bundel opgenomen, de laatste drie gedichten
zijn zelfs in het Haags (de moeder aller talen) geschreven. De gedichten zijn bewust niet
op thema gerangschikt, dat is het leven immers ook niet
Ik hoop dat u veel plezier
beleeft aan het lezen van mijn gedichten.
Daan de Ligt
Inhoudsopgave
| 01 |
Dan liever 50 |
| 02 |
Archipelbuurt anno 2002 |
| 03 |
Onmogelijke liefde |
| 04 |
In de boot genomen |
| 05 |
Gewone jongen |
| 06 |
Het leven is prachtig |
| 07 |
Het land van vreemde
klanken |
| 08 |
Paarse vijver |
| 09 |
Pil van Drion |
| 10 |
Principes |
| 11 |
Scheveningen |
| 12 |
Reünie |
| 13 |
De zee geeft, de zee
neemt |
| 14 |
De Haagse toren |
| 15 |
Heinz (1929-1945) |
| 16 |
Hoog Den Haag |
| 17 |
Idealen |
| 18 |
Nooit meer |
| 19 |
Kleurenblind |
| 20 |
Nadagen |
| 21 |
Groeten uit Scheveningen |
| 22 |
Wildplasser |
| 23 |
Vogelvriend |
| 24 |
Het regent in Den Haag |
| 25 |
Traag |
| 26 |
Stemmen |
| 27 |
Winterkinderen |
| 28 |
Sjoukje Dijkstra |
| 29 |
Shinji Ono |
| 30 |
Bezoek |
| 31 |
Jachtlust |
| 32 |
Gespleten stad |
| 33 |
Fotoboek |
| 34 |
En nooit meer zal ik
drinken |
| 35 |
Een droevig lot |
| 36 |
Een blije trambestuurder
in 2010 |
| 37 |
Dronken dichter |
| 38 |
Kortstondige vriendschap |
| 39 |
De liefde is geen
sprookje |
| 40 |
Déjà vu |
| 41 |
Worsteling |
| 42 |
Mijn kruis |
| 43 |
Bezuidenhout |
| 44 |
Avondrood |
| 45 |
Arme dichter |
| 46 |
Anorexia nervosa |
| 47 |
Alles kan maar
tegenwoordig |
| 48 |
Xeinaufaubie (Haags) |
| 49 |
HKV/Ons Èbernes (Haags) |
| 50 |
De tiete van De Haag
(Haags) |
-1-
dan liever 50
m'n spiegelbeeld is gul met rake
klappen:
haren groeien niet meer overdadig
rimpels in 't gelaat zijn ruim voorradig
de broekriem heeft het punt bereikt van knappen
waar is nou die godenzoon gebleven
de tand des tijds blijft onvermurwbaar slopen
en zal mij weldra tot een knieval nopen
toch heb ik de moed niet opgegeven
er dagen mooie feeën tijdens
t slapen
verjongen is hun wonderschone baan
ze toveren de grijsaards weer tot knapen
het wezen in de spiegel oogt
luguber
een puisterige slungel gaapt me aan
oh nee
ik ben veranderd in een puber
-2-
Archipelbuurt anno 2002
Oude mensen, kleine zielen
schuifelen voorbij,
verstilde geesten langs versteende straten.
Wie waakt en wacht en luisteren wil
hoort zacht Eline Vere praten.
Levend museum van voorbije dingen
de geuren vaag, de beelden flets, de klanken zacht.
Flarden van de gamelan,
de laatste sporen van de stille kracht.
Autos die weer koetsen
worden,
flaneren wint het van t lopen.
Hier moest ik zijn, ik belde aan,
Louis Couperus zelf deed open.
-3-
onmogelijke liefde
je houdt me met een stille blik
gevangen
en staart me met bevroren ogen aan
betoverd blijf ik zwijgend voor je staan
in twijfel tussen schaamte en verlangen
het lijkt alsof je heimlijk
om me lacht
plezier beleeft aan een hardvochtig spelen
een minnaar die je nooit zal mogen strelen
en die zo kansloos op een teken wacht
je schepper is een kunstenaar
geweest
op zijn palet begon jouw eeuwig leven
zijn hand werd kalm bewogen door de Heer
als meester van zn artistieke
geest
heeft hij je zoveel schoonheid meegegeven
mijn teer beminde meisje van Vermeer
-4-
in de boot genomen
haar naam bracht visioenen van het
noorden
weidse meren en de grauwe luchten
stille en zo eenzame gehuchten
haast onverstaanbare gezongen woorden
torenklokken die zacht kaatsend
beieren
bevroren vaart, us Abe op zijn noppen
spijkerharde tegendraadse koppen
klunen, skûtsje, wad en kievitseieren
met zwijgzaamheid als deugd en niet
als kwelling
doch toen zij sprak veranderde gestaag
de droomvrouw op de veerboot naar Terschelling
die klanken konden maar uit één
plaats komen
daar stond mijn oude buurvrouw uit Den Haag
door dromen was ik in de boot genomen
-5-
gewone jongen
(met dank aan de dichters Hendrik
Marsman en Willem Kloos)
de dichter droomt van oeverloze
stromen
die traag door een oneindig laagland gaan
hij peinst over de zin van het bestaan
en wat er na de dood zoal zal komen
hij is een god in t diepst
van zijn gedachten
zn ganzenveer regeert het perkament
beschrijft de wolkenvelden die frequent
extase dan wel zwaar gemijmer brachten
hij weent om bloemen in de knop
gebroken
om vrede die zo kort slechts mocht bestaan
en om de liefdes die hij steeds voorbij zag gaan
zo staat hij daar, diep in zn
kraag gedoken
gerinkel klinkt, nog één blik op het zwerk
dan komt lijn 6 en gaat hij naar zijn werk
-6-
het leven is prachtig
mijn God wat is het leven nu weer
heerlijk
wat is het fijn om heel vroeg op te staan
geweldig zelfs om naar mn werk te gaan
en ook mn eigen vrouw is zeer begeerlijk
mijn passie voor haar valt niet
meer te blussen
we zijn na t liefdesspel geheel voldaan
ik sleep boeketten bloemen voor haar aan
en ben in staat mn schoonmoeder te kussen
zoals het spreekwoord luidt:
het kan verkeren
wat hingen al die donderwolken laag
geen glimlach en geen lust om te begeren
nu is mijn levenshonger niet te stillen
perfect! fantastisch!
alles doe ik graag
dank u dokter, dank u voor die pillen
-7-
het land van vreemde klanken
het land van vreemde klanken is
nabij
ik hoef nog slechts een dijk te overbruggen
verborgen achter wolken woeste muggen
ligt daar het thuis van kruidkoek en stabij
wat brengt mij in die kille negorij
hoe heeft een stadsmens zo diep kunnen zinken
in Moddergat een beerenburg te drinken
de fierljep van mijn huis naar woestenij
hier trouwt mijn liefste Tjitske met haar Tjerk
waar tjokvol tjotters door de vaarten dolen
geeft zij hem nu het jawoord in de kerk
oh wat haat ik tjalk en skûtsjesilen
dit lege landschap heeft mijn schat gestolen
mij rest niet meer dan moedeloos te knielen
-8-
paarse vijver
hij spiegelt zich in t stille
vijverwater
vanuit zn torenraam blikt hij omlaag
en zoekt de diepste gronden van Den Haag
de bodem van de politieke krater
de kalme vijver dampt of is het
rook
die opstijgt van een smeulend vagevuur
plots borrelt hij sinister en obscuur
vanaf het eiland lacht het rode spook
vanachter buigend groen zo goed
verborgen
tovert hij mist die opduikt flard na flard
stemmen komen nader, baren zorgen
wat hemelsblauw was is nu
duivelszwart
de zekerheid vervaagt tot heel misschien
in t donker zijn geen kleuren meer te zien
-9-
pil van Drion
de trein naar het hiernamaals is
vertrokken
en neemt de laatste van zijn vrienden mee
voor hem was er geen plaats in de coupé
de wind speelt met zijn grijs geworden lokken
in tranen blijft hij achter op
t perron
er rest niet meer dan een vertwijfeld staren
naar hen die aan t loket gelukkig waren
hij wuift nog zinloos naar de horizon
de zuster houdt hem warm met jas en
das
en duwt de rolstoel met beleid naar later
wat jaren die geen mens hem zal benijden
hij haat de arts die hem opnieuw genas
wanneer komt er een eind aan het theater
oh
had hij maar een pil die kan bevrijden
-10-
principes
uit principe heb ik geen principes
natuurlijk vind ik dingen goed of fout
toch laten vaste stelregels mij koud
ik behoor nu eenmaal tot de types
die niet in t labyrinth van
idealen
of in de vaak zo zinloze geboden
ons opgelegd door dubieuze goden
tijdens de levensweg onthutst verdwalen
vertrouwend op mijn eer en mijn
geweten
soms wat verstand, doch vaak is het gevoel
dat onbedoeld mijn doen en laten stuurt
met vingertoppen die de warmte
meten
en ogen die gericht zijn op een doel
bouw ik mijn burcht, maar laat hem on-ommuurd
-11-
Scheveningen
dan wijkt het lange lint van zilver
zand
voor uitgestoken broodmagere armen
sirenen vluchten lijdzaam voor erbarmen
geen scherpe rotsen maar een veilig land
voorbij de havenhoofden zwarte
kaden
verworden zeebenen tot vaste voeten
geen lager wal meer of het eeuwig boeten
van vissersvrouwen door de zee verraden
het onheil komt niet van de woeste
vloed
maar van een wassend oord achter de duinen
dat tot het rijk van Nereus groeien moet
gemeenschap die tot wijk vervallen
is
veel torens boven de behelmde kruinen
Den Haag ruikt hier naar Noordzee en naar vis
-12-
reünie
de lange gangen met de vale tegels
-er hing nog steeds de geur van natte jassen-
leidden onveranderd naar de klassen
waar ik zuchtte onder strenge regels
ik had gezworen nooit terug te
keren
tot ik die lijst zag met daarop jouw naam
het stille meisje bij het hoge raam
dat mij geduldig hielp Latijn te leren
je ogen glansden vurig als voorheen
dezelfde zachte stem, nog steeds verlegen
waarom gingen de wegen toch uiteen
ik voelde het werd tijd voor klare wijn
en zei wat ik die jaren had verzwegen:
we zijn nog niet aan t eind van ons Latijn
-13-
de zee geeft, de zee neemt
ik struikel over dichters op het
strand
ze zijn in drommen naar de zee gekomen
hun adoratie doet het water stomen
de blik naar boven, pen reeds in de hand
ze schrijven over sporen in het
zand
die weer verdwijnen bij het overstromen
ik hoor ze over wolkenluchten bomen
hun Lourdes is de zilte waterkant
dan wordt het Nereus eindelijk te
veel
hij heeft op wrede wijze wraak genomen
de druppel was het zoveelste cliché
hij vloog het dichtersvolkje naar
de keel
de springvloed viel door niemand in te tomen
er drijven dode dichters in de zee
-14-
de Haagse toren
het godshuis is door heidenen bezet
hun dienst vindt plaats op de verloren graven
waarbij zij niet vergeten zich te laven
alleen de toren is nog niet besmet
door wat ver onder hem zoal
passeert
zijn kruin verkeert nog steeds in hoger sferen
ver boven al het aardse potverteren
houdt hij zich kranig staande, onverveerd
hij zag de mensen gaan, de mensen
komen
die tempels bouwden rond de groene haag
soms blikt hij licht geamuseerd omlaag
naar wat zich afspeelt onder wijze
bomen
en laatst zag ik, al was het maar heel even
hem naar omhoog een steelse knipoog geven
-15-
Heinz (1929-1945)
de zerken staan er keurig in
t gelid
als soldaten op gemillimeterd gras
exercitie komt nog altijd goed van pas
ook als het lijf de ziel niet meer bezit
hier rusten wat men noemt de
Nazi-zwijnen
zij werden bij hun moeder weggerukt
of haastig uit de schoolbanken geplukt
de kronkels van de dood in rechte lijnen
hun noodlot was het om gehaat te
worden
te sneuvelen als rot kanonnenvlees
dat men de duivel opgelucht mocht schenken
die slachtoffers van geestelijk
gestoorden
naar wie men met de vinger immer wees
zal men hen straks op 4 mei ook herdenken
-16-
hoog Den Haag
nederig en klein
kijk ik bedeesd omhoog
niet te bereiken top
ik voel mij als een dwerg
die Goliath aanschouwt
en vrees nooit
te bedwingen:
de Lange Vijverberg.
Weer een besneeuwde alp
doemt op in het vizier
de paden ga ik op
de wandelschoenen aan
de Zeven Heuvelenweg
is slechts wat kinderwerk
bij wat ik moet doorstaan
op de Daal en Bergselaan
en dan de hellingproef
die ik moet ondergaan
is dit nog steeds Den Haag
of is het Zwitserland
de boomgrens is bereikt
meewarig blikt de gems
als ik tenslotte strand
op het toren Hoge Zand.
-17-
idealen
daar sta je dan, zo vele jaren
ouder
gevangene van werk en hypotheek
het wrede web dat onvermijdbaar bleek
de warme nachten werden alsmaar kouder
bevlogen waren toen je mooie
woorden
de blije teksten die geen mens meer leest
want vliegensvlug bezweek de vrije geest
gevlogen zijn de vrienden die je hoorden
al spoken ze nog altijd door je
brein
ze huizen nu in verre gouden kooien
waaraan ze door de plicht geketend zijn
wie mocht zelf de levensweg bepalen
en vrijuit met zn overtuiging strooien
wie heeft er nog moed voor idealen
-18-
nooit meer
nooit meer zalk je ranke
lichaam strelen
of je met mn lippen zacht beroeren
nimmer zal je geur me nog vervoeren
of mijn warme hand fijn met je spelen
verdwenen ben je, opgegaan in rook
geen troost zal ik nog ooit mogen ontvangen
ik wou je graag, jij brandde van verlangen
als ik je nodig had, was je er ook
je hebt me zon intens genot
geschonken
het harde leven leefbaarder gemaakt
nu het uit is lijkt mn lot beklonken
hoe nu verder, zo van jou verstoken
jij die mn hart en ziel zo hebt geraakt
het is voorbij: ik ben gestopt met roken
-19-
kleurenblind
nee, nee
het is geen rood,
het is scharlaken
met hier en daar een vleugje zacht karmijn
pal naast de zon een streepje karmozijn
zijn dichterschap dat schreeuwt hij van de daken
eenvoudig rood tot vermiljoen
verworden
de hei geschetst in volle purpren pracht
het lover toont hem schatten van smaragd
zo brengt zijn gulden pen hem kleurakkoorden
hij heeft zijn eigen wereldje
geschapen
alwaar de wind hem voert op ijle luchten
uitsluitend om de waarheid te ontvluchten
de waarheid die een hel maakt van het slapen
-20-
nadagen
de zon doet ongelofelijk haar best
smijt onbaatzuchtig met de laatste krachten
-de kou laat nu niet lang meer op zich wachten-
zij strooit de levensvreugd die haar nog rest
de zomergasten zijn nog niet
vertrokken
ze wachten op het teken voor de vlucht
de stilte wordt verbroken door gerucht
vanuit de verte roepen zacht de klokken
je strompelt op pantoffels stil
naar buiten
gebroken door de slapeloze nachten
het kost je moeite om je vest te sluiten
na maanden zie ik weer een prille
lach
zijn het de spuiten die de pijn verzachten
of is het doodgewoon die mooie dag
-21-
groeten uit Scheveningen
mijn God ik heb een hekel aan de
zomer
t stille strand voor kalme filosofen
bestaat niet meer, k moet eraan geloven
weg lustoord voor de wandelaar en dromer
verdwenen zijn het ruisen van de
golven
het zwarte zwerk en de westenwinden
eenzaamheid is nergens meer te vinden
ik word nu onder het kabaal bedolven
het blèren van gebruinde
oliesmeerders
kinderen die oorverdovend schreeuwen
(verlang weer naar t krijsen van de meeuwen)
terrassen vol met naakte potverteerders
ik ruik geen geur meer van het
zilte nat
en struikel over emmertjes en scheppen
(je zou die peuters zo de zee in meppen)
heel Scheveningen stinkt naar de patat
-22-
wildplasser
ach ja, zon avond stappen op
het Plein
na weer een zware week van zinloos zwoegen
blijft toch iedere keer een waar genoegen
een rokerig maar sfeervol samenzijn
pas later op de avond daagt venijn
van bier gedronken in de vele kroegen
(waar vrienden je zo vaak naar buiten droegen)
het oude liedje met een triest refrein
gebruik van bier heeft echter ook
nog tegen
-de kenners weten van dit fenomeen-
het feit dat je zo vaak de blaas moet legen
een muur, een boom
, maar soms
maak je het doller
-je moet toch ergens met die ballast heen-
en wordt de oude Hofvijver iets voller
-23-
vogelvriend
vertel nou niet dat u er wel kunt
slapen
dat u tot rust komt in zon vredig bos
u maakt een peluwtje van mollig mos
en weldra volgt een zeer hardnekkig gapen
mij is dat voorrecht nooit te beurt gevallen
als ik mij neervlij tussen het struweel
begint een duif met opgezette keel
mijn zo begeerde dagrust te vergallen
word ik gestoord door luid gekras
van kraaien
beginnen mezen aan een druk gesprek
(hun vals gekwetter maakt mij knettergek)
en hoor ik sappig Vlaams van domme gaaien
al snel begin ik van de kook te
raken
dan tjift een blije tjiftjaf lustig tjaf
en zeer geïrriteerd vraag ik mij af:
hoe zou tjaptjoi met vlees van tjiftjaf smaken?
-24-
het regent in Den Haag
de brede lanen stralen onbehagen
regen teistert urenlang de straten
nergens zijn de pleinen zo verlaten
je hoort doorweekte panden kleumend klagen
vernederd door verbeten
westenwinden
buigen moede bomen naar het oosten
grauwe luchten die met kilte proosten
als twee geliefden die elkaar weer vinden
pas de deux van glanzend duister
asfalt
met donkere hardvochtig vale muren
verzopen stad die toch de vuisten balt
de rechte rug verhindert ja en amen
weerbaar strijdt zij tegen godenkuren
ook kleddernat blijft ze een trotse dame
-25-
traag
het wachten lijkt een eeuwigheid te
duren
de klok kruipt trager dan de wanhoop groeit
geen tijdschrift dat mij enigszins maar boeit
ik vegeteer hier lijdelijk mn uren
mijn hand verbergt een
onvermijdbaar gapen
geduld is hier een uitgemaakte zaak
het onbegrip is volop in de maak
ik wil gaan tellen, maar ik zie geen schapen
dan plotseling bespeur ik traag
bewegen
nog even denk ik en het feest vangt aan
dat even valt toch nog behoorlijk tegen
en net als ik de strijd dan op wil geven
verschijnt het beeld, mijn jubel is spontaan
de zo vervloekte website komt tot leven
-26-
stemmen
de stilte valt niet langer te
verduren
na warme liefde kwam een kil tabee
ze nam de blije kinderstemmen mee
maar liet de echo tussen kale muren
de straat lonkt om de leegte te
ontvluchten
op zoek naar iets, naar God mag weten wat
zo sjok je uren doelloos door de stad
in plaats van sterren pluk je wrange vruchten
verloren in de overvolle straten
met duizenden maar altijd nog alleen
de echo wil zijn gastheer niet verlaten
je gaat en houdt de drukte voor
gezien
rijgt flarden van gedachten weer aaneen
en thuis zet je de stereo op tien
-27-
winterkinderen
wat weten jonge dichters van de kou
ze zijn nog in de lente van hun leven
ik zie het prille dons nog aan ze kleven
ze gissen slechts naar wanhoop en berouw
hun winter is een heerlijk
sleetjerijden
een zweven op de gladgeslepen noren
de pijn beperkt tot tintelende oren
geen flauw benul van ongeneeslijk lijden
toch zullen jonge dichters eens
bevriezen
of kennismaken met het zwarte wak
hun onschuld zal het van de vorst verliezen
maar laat ze even in het paradijs
onwetend van de naderende smak
de schaduw die ze inhaalt op het ijs
-28-
Sjoukje Dijkstra
ik heb Sjoukje nog zien rijden
achterwaartse achten
kalligrafeerden het ijs
diepe haast achteloze voren
de vrije kür een Friese samba
op diepgevroren water
bevrijde onderkoelde passie
het einde van de ijstijd
na de dubbele rittberger
schonk mijn vader
een dubbele whisky (on the rocks)
starend naar het glas
wachtend tot het ijs zou smelten
-29-
Shinji Ono
geen uitbarsting van woede
berusting bij de oude Fuji
timide rookpluim
een stille traan van magma
de zoon van de keizer moest gaan
bij het licht van de rijzende zon
naar kolkende krater
aan vreemde stroom
een strelende voet
veroorzaakt eruptie
bescheiden glimlach en
buiging van rijzende ster
-30-
bezoek
haar kamer is doortrokken van de
geur
van lakens die al ongewassen drogen
ze schaamt zich voor 't fysieke onvermogen
al jaren staart ze hoopvol naar de deur
die af en toe de gasten binnenlaat
dan voelt ze wat afstandelijke kussen
ze speelt de vreugde, maar ze hoopt intussen
dat iedereen zo snel als kan weer gaat
het wachten is alleen nog maar op
hem
van wie ze vroeger nooit iets weten wou
ze hunkert naar zijn fluisterende stem
dan hoort ze in de slaap een
schuchter kraken
een windvleug doet haar rillen van de kou
hij streelt haar hand nog voor ze kan ontwaken
-31-
jachtlust
als jager schiet je immer in de
roos
de jacht is goed voor ieders welbehagen
vooral gejaagde mensen moeten jagen
dan worden ze weer rustig na een poos
die rust is voor de jager
onontbeerlijk
hij moet geduldig wachten tot zn schot
hem bijna doet ontploffen van genot
alweer een prooi, wat is het leven heerlijk
zn vrouw is niet verguld met
de trofeeën
waarmee hij bij het jagersgilde scoort
ze vindt zijn grootste passie ongehoord
hij jaagt niet op fazanten of op
reeën
-al schiet hij af en toe de grootste bokken-
zijn wanden zijn getooid met mooie rokken
-32-
gespleten stad
je denkt aan krijtstreep met een
aktetas
aan paraplu en t elegant flaneren
van bonte dames naast correcte heren
bevroren glimlach boven grijze jas
je denkt aan sportschool en het
klatergoud
aan tatoeages, bier en zonnebanken
die passen bij de goddeloze klanken
van dialect dat primitief wordt uitgekauwd
onzichtbaar blijft de oude muur in
stand
tussen het hoge zand en t lage veen
men heeft het trotse eibernest gemeen
maar blijft hardnekkig in het eigen
land
apartheid blijft bestaan zonder bezwaren
pitbull en poedel zullen nimmer paren
-33-
fotoboek
hij kijkt me aan vanuit het
fotoboek
het jochie met de veel te grote pet
een hard maar ook vertederend portret
zijn stille ogen naar geluk op zoek
donker Den Haag nu ruim een eeuw
geleden
lang voordat Drees zijn zegeningen bracht
met kerk en kapitaal nog aan de macht
een sloppenwijk zoals in vele steden
de fotos geven een romantisch
beeld
van sleetse panden in te smalle straten
van het zonlicht en van God verlaten
waar weinigen met voorspoed zijn
bedeeld
kleurrijke buurt staat er zo fraai beschreven
maar in zwart-wit zie ik het ware leven
-34-
en nooit meer zal ik drinken
zo zalig is aanvankelijk de reis
ik ben met een ballon de grond ontstegen
(door volle glazen vliegensvlug te legen)
en even ruik ik aan het paradijs
met doodsverachting klim ik op de
rand
het zicht is door een witte wolk verdreven
dan galmt mn strijdkreet: dichters kunnen zweven!
bevlogen neem ik afscheid van de mand
de hoogste tijd nu voor de
(para)chute
(dat ben ik zo gewend na de kwatrijnen)
maar waar is nou dat ding! Roep ik ontzet
de nood is nu toch minimaal acuut
de laatste strohalm zie ik snel verdwijnen
al zwetend word ik wakker
naast mn bed
-35-
een droevig lot
een laagje schijn bedekt de ware
aard
het broze vlies van scholing en manieren
waar onderhuids verlangens welig tieren
toont hij zich vaak zo keurig en bedaard
het zijn de schimmen die zijn lijf
bewonen
alleen hun klauwen draaien aan het roer
lak aan de duivel en zn malle moer
een man is weerloos slaaf van zijn hormonen
hij zoekt de prooi als in vervlogen
jaren
al draagt hij nu een maatpak en een das
de man is toch gebleven wat hij was:
een jagend beest
en altijd moet hij paren
-36-
een blije trambestuurder in 2010
de starre blikken in de
vroege maandagmorgen-tram
van reizigers
weerspiegeld in de ruiten
de banken vol met zware zwijgzaamheid
het deert mij niet
men hoort mij vrolijk fluiten
als blinkend boegbeeld van de
trotse HTM
zeg ik mijn goede morgens en ik stempel
in het besef er is geen weg terug
vandaag is het zover, warempel!
weg is de vage angst
het veld geruimd voor hopen
nu mag ik ondergronds
de tramtunnel is open
-37-
dronken dichter
als je dronken bent kun je niet
dichten
beneveld door de vele glazen bier
verschijnt er slechts de waarheid op papier
die helaas het leed niet kan verlichten
uren later na wat wrakke dromen
als de kater spint na zinloos moorden
welt de diepe bron vol stille woorden
traag beklimt je pen de hoogste bomen
een beter uitzicht, dichte mist
vertrekt
en diepe spijt verschijnt in het vizier
het lek gedicht, het prille licht ontdekt
in sluimertoestand na de
dronkenschap
na afscheid van de cirkelende gier
ontwaken fraaie zinnen
stap voor stap
-38-
kortstondige vriendschap
ik zag je aan zon godverlaten
toog
er groeide vriendschap die wat glazen duurde
ik sprak terwijl jij onbewogen tuurde
en stil vernam wat mij zoal bewoog
je stelde mij totaal op mn
gemak
voor even nam ik afscheid van de aarde
maar toen mijn blik je glazen ziel ontwaarde
bestelde ik
een nieuwe fles cognac
-39-
de liefde is geen sprookje
ze leek wel uit een sprookje
weggelopen
een blonde en bekoorlijke prinses
dus prompt vergat ik elke wijze les
daar ging de pijlenkoker weer eens open
en Amor bleek een ware Wilhelm Tell
haar hart werd door zijn eerste pijl gevonden
vervolgens vonden wij elkanders monden
een kus zo warm als zand in de Sahel
dat kussen had ik beter kunnen
laten
waarom zijn mannen slaven van de seks
het was te laat, berouw mocht niet meer baten
ik was zelfs niet in staat een
kreet te slaken
mijn liefste bleek betoverd door een heks
ze was een kikvors en begon te kwaken
-40-
déjà vu
de dagen slijt hij in een ver
verleden
omgeven door stellages met papier
hij waant zich in een lusthof vol vertier
vergeelde akten met erfdienstbaarheden
het later komt aan hem
voorbijgeschreden
in teksten nog geschreven met de hand
wat vroeger was herhaalt zich haast gênant
de nieuwste paden zijn reeds lang betreden
wat is het leven meer dan eb en
vloed
hij heeft de golven vaak zien gaan en komen
en telkens weer de dageraad ontmoet
geamuseerd ziet hij het beeld van
nu
het wordt voor kennisgeving aangenomen
hij glimlacht vaag en mompelt: déjà vu
-41-
worsteling
je wilt wel, maar je komt niet uit
je woorden
een stotterende pen met stroop gevuld
speelt poker met je dichterlijk geduld
wat losse tonen zijn nog geen akkoorden
de worsteling verandert in
chagrijnen
met lijden is de dichtkunst nauw verwant
en menig dichter zag zijn schip gestrand
omdat geen dokter raad weet met kwatrijnen
ook volgen na het ziekbed nog
terzinen
blijkt luctor et emergo toch een fabel
en is je maintiendrai zeer discutabel
het liefst zou je nu maar een potje
grienen
je denkt al snel van gooi maar in mn pet
ik kap ermee, dan schrijf ik geen sonnet
-42-
mijn kruis
een bijbelvertelling
de lijdensweg begon na het bevallen
mn aanblik deed de kraamvisite proesten
m'n ouders wisten ook niet wat ze moesten
me houden of me elders zien te stallen
ik ben niet wat je noemt een
godenzoon
en vrees zelfs dat Hij zich voor mij zou schamen
(dat jong is niet van mij, ik zweer het
amen!)
maar ook van s duivels zijde treft mij hoon
ik mag slechts tegen beter weten
hopen
dat Hij me zal verlossen door een teken
(al is die hoop behoorlijk aan 't verflauwen)
nooit heb ik over water kunnen
lopen
zelfs over land vertoont mijn tred gebreken
geen wonder met het kruis dat ik moet sjouwen
-43-
Bezuidenhout
Verdwaalde bommen sloegen wonden in
de wijk.
Een architect, als tandarts, deed zn werk
vulde gaten met zn torens. Hij werd rijk.
Maar waar is nu mijn uitzicht op het zwerk?
Het zijn de wolkenvelden die ik
node mis.
Haagse Poort die door de noeste handen
van bouwvakkers tot blinde muur geworden is.
Met dank aan Nationale Nederlanden.
Kantoorpaleizen in een wijk waar
t wonen
door dagelijkse arbeid wordt vervangen
Tot meerdere eer en glorie van belangen.
Die, wat er ook gebeurt, de hebzucht tonen.
-44-
avondrood
je leefde mee met rode Viëtnamezen
natuurlijk Che Guevarra aan de wand
de Waarheid voelde leugens aan de tand
van kerk en kapitaal voorgoed genezen
de mildheid kwam na vele jaren
strijden
van Mao restte slechts wat sentiment
je wilde haren werden permanent
getemd door stille en tevreden tijden
maar nu voor jou de herfst is
ingetreden
zie je weer het schaamteloze graaien
bemerk je weer de slachtoffers in nood
ontwaakt een smeulend vuur uit het
verleden
gaat een oude haan weer koning kraaien
en kleurt de zon de avondhemel rood
-45-
arme dichter
de dichter moet door diepe dalen
gaan
zijn hele leven is een trieste bende
waar tijd verstrijkt met zwelgen in ellende
de wanhoop is niet bij hem weg te slaan
hij sleept zich voort, gebogen,
ongeschoren
gekreukte lompen rond zijn krakend lijf
het drinken als voornaamste tijdverdrijf
de lach is plechtig door hem afgezworen
maar met zijn pen kan hij nog
altijd zweven
en lijmt hij scherven tot een fraaie zin
akkoorden door de hemel ingegeven
waarmee hij scoort bij veel te
jonge meiden
die schoonheid bij hem vinden binnenin
ach ja
een dichter kan niet altijd lijden
-46-
anorexia nervosa
de spiegel toont al beelden van het
graf
een levend lijk met veel te jonge ogen
te licht bevonden maar te zwaar gewogen
de dood heeft weer een klusje bijna af
op zoek naar het vermaledijde vet
betast een iele hand de naakte feiten
haar lichaam stoort zich niet aan de verwijten
ze gaat steeds vaker schuldbewust naar bed
na het ontbijt de vingers in de
keel
wat pillen die haar helpen bij t purgeren
nog altijd duidt de spiegel op te veel
en ziet ze al die grammen aan zich
kleven
niemand die haar zo zal accepteren
dus vasten zal ze
tot ze echt kan zweven
-47-
alles kan maar tegenwoordig
in de oude boekenwinkel
stond duidelijk zichtbaar
ondanks schemer
-alles kan maar tegenwoordig-
Louis Couperus naast Jan Cremer
-48-
xeinaufaubie
(Hageneize teige diskriminazi)
in un land van sneiuw en ès
na un dolle dwaze daling
en un vluch ùit ut paradès
landde is un zaumegtaling
de ministah zag ut auk
bekeik angstag de herhaling
van de landing vannet spauk
zau andags dan de wintegtaling
men nam de zaumeggas gevange
(angstag klonk zèn ademhaling)
vreimde vaugels motte hange
men neim ons nie in de maling
gein vreimde taling in de bèt
lùidde èskâhd een bepaling
tot mèn allâhdiepste spèt
vol is vol, na deize dwaling
wegt de taling ùitgeweize
op bevel (zondâh vetaling)
en gerechtaghèd gepreize
jammâh voâh de zaumegtaling
Toelichting: een taling is een
eend-achtige vogel, men onderscheidt de zomertaling en de wintertaling
-49-
HKV/Ons Èbernes
voâh mèn was spog -ik wis nie
beitâh-
een veld doâh foebelers bemand
doch an ut mikke op de korref
hep dochteglief haah hag vepand
dus breng ik haah -ik zâh wel
motte-
naah twei vakke vol genot (?)
hieâh had ik nauit van kenne draume
gein mens ken zèn toekomstag lot
waah jonge mède, jonge knulle
zeâh kogtaat de mâhwe straupe
en spogtief de vakke vulle
r ging een weireld voâh mèn aupe
trâh bezoek ze ellukke training
en werrep ze wel hondâhd balle
om -zoas zè dit veklaag-
straks nie doâh de mand te valle
dat mandsje zondâh dak en baudem
op een taurehauge paal
een wèsnuis sprak út ken vekeire
staat in mèn leive nu sentraal
ik hep mèn lot maah lere drage
ut bieâh smaak hieâh auk oppegbes
en niemand die mèn auit hoâh klage
bè HKV/Ons Èbernes
-50-
De tiete van De Haag
Soms, as t vestand
vebèstâhd wog,
wil zè naah Amstedam.
Schoâhvoetend gaattik maah akkoâhd,
laattut kaume zoas t kwam.
Tautaal ontreddâhd volg ik haah,
een stemming as azèn.
Na t winkele wil zè dan auk
nog naah ut Lèdseplèn.
Met ál die Amstedamse mense,
ál die lichies s-avonds laat op dát plèn.
Aua, wat zâh ik god vewense,
as ik Amstedammâh zâh zèn.
Tewèl ik nog maah één ding wil
trug naah de Haagse taure,
vraag zè me: schat, wat ben je stil,
heppie je tong velaure?
Ik glimlach kwasie achtelaus.
Wat gaan de ure traag.
En vraag hoe laat -haas haupelaus-
de trèn gaat naah De Haag.
Maah in de sneltrèn naah De Haag
ben ik weâh te geniete.
Want in de vegte zie k vaag,
twei vogstelijke tiete.
Toelichting: De Haagse
Tieten is de bijnaam van een ministerie in de wijk de Resident. De bijnaam is te
danken aan de twee spitse torens die hoog boven de andere gebouwen uitsteken. |