Vijftig

Ter gelegenheid van mijn vijftigste verjaardag (11 maart 2003) heb ik in eigen beheer de bundel 'vijftig' uitgegeven, een cadeau voor familie, vrienden en bekenden. Op deze pagina vindt u alle gedichten uit deze bundel.

terug naar de thuispagina

-

Voorwoord

Vijftig word je niet elke dag. Het is een leeftijd om even bij stil te staan, een mijlpaal zogezegd.

Het bereiken van die leeftijd leek mij een leuke aanleiding om 50 van mijn gedichten te laten bundelen en aan vrienden, familie en bekenden cadeau te doen. Het schrijven van gedichten is een liefhebberij van mij, ik beleef veel plezier aan het spelen met taal en het scheppen van een bepaalde sfeer. Sommige gedichten zijn autobiografisch, andere daarentegen uitdrukkelijk niet. Ook zijn er gedichten over mijn geboorte- en woonplaats Den Haag in deze bundel opgenomen, de laatste drie gedichten zijn zelfs in het Haags (de moeder aller talen) geschreven. De gedichten zijn bewust niet op thema gerangschikt, dat is het leven immers ook niet… Ik hoop dat u veel plezier beleeft aan het lezen van mijn gedichten.

Daan de Ligt

Inhoudsopgave

01 Dan liever 50
02 Archipelbuurt anno 2002
03 Onmogelijke liefde
04 In de boot genomen
05 Gewone jongen
06 Het leven is prachtig
07 Het land van vreemde klanken
08 Paarse vijver
09 Pil van Drion
10 Principes
11 Scheveningen
12 Reünie
13 De zee geeft, de zee neemt
14 De Haagse toren
15 Heinz (1929-1945)
16 Hoog Den Haag
17 Idealen
18 Nooit meer
19 Kleurenblind
20 Nadagen
21 Groeten uit Scheveningen
22 Wildplasser
23 Vogelvriend
24 Het regent in Den Haag
25 Traag
26 Stemmen
27 Winterkinderen
28 Sjoukje Dijkstra
29 Shinji Ono
30 Bezoek
31 Jachtlust
32 Gespleten stad
33 Fotoboek
34 En nooit meer zal ik drinken
35 Een droevig lot
36 Een blije trambestuurder in 2010
37 Dronken dichter
38 Kortstondige vriendschap
39 De liefde is geen sprookje
40 Déjà vu
41 Worsteling
42 Mijn kruis
43 Bezuidenhout
44 Avondrood
45 Arme dichter
46 Anorexia nervosa
47 Alles kan maar tegenwoordig
48 Xeinaufaubie (Haags)
49 HKV/Ons Èbernes (Haags)
50 De tiete van De Haag (Haags)

 

-1-

dan liever 50

m'n spiegelbeeld is gul met rake klappen:
haren groeien niet meer overdadig
rimpels in 't gelaat zijn ruim voorradig
de broekriem heeft het punt bereikt van knappen

waar is nou die godenzoon gebleven
de tand des tijds blijft onvermurwbaar slopen
en zal mij weldra tot een knieval nopen
toch heb ik de moed niet opgegeven

er dagen mooie feeën tijdens ‘t slapen
verjongen is hun wonderschone baan
ze toveren de grijsaards weer tot knapen

het wezen in de spiegel oogt luguber
een puisterige slungel gaapt me aan
oh nee… ik ben veranderd in een puber

-2-

Archipelbuurt anno 2002

Oude mensen, kleine zielen schuifelen voorbij,
verstilde geesten langs versteende straten.
Wie waakt en wacht en luisteren wil
hoort zacht Eline Vere praten.

Levend museum van voorbije dingen
de geuren vaag, de beelden flets, de klanken zacht.
Flarden van de gamelan,
de laatste sporen van de stille kracht.

Auto’s die weer koetsen worden,
flaneren wint het van ’t lopen.
Hier moest ik zijn, ik belde aan,
Louis Couperus zelf deed open.

-3-

onmogelijke liefde

je houdt me met een stille blik gevangen
en staart me met bevroren ogen aan
betoverd blijf ik zwijgend voor je staan
in twijfel tussen schaamte en verlangen

het lijkt alsof je heim’lijk om me lacht
plezier beleeft aan een hardvochtig spelen
een minnaar die je nooit zal mogen strelen
en die zo kansloos op een teken wacht

je schepper is een kunstenaar geweest
op zijn palet begon jouw eeuwig leven
zijn hand werd kalm bewogen door de Heer

als meester van z’n artistieke geest
heeft hij je zoveel schoonheid meegegeven
mijn teer beminde meisje van Vermeer

-4-

in de boot genomen

haar naam bracht visioenen van het noorden
weidse meren en de grauwe luchten
stille en zo eenzame gehuchten
haast onverstaanbare gezongen woorden

torenklokken die zacht kaatsend beieren
bevroren vaart, us Abe op zijn noppen
spijkerharde tegendraadse koppen
klunen, skûtsje, wad en kievitseieren

met zwijgzaamheid als deugd en niet als kwelling
doch toen zij sprak veranderde gestaag
de droomvrouw op de veerboot naar Terschelling

die klanken konden maar uit één plaats komen
daar stond mijn oude buurvrouw uit Den Haag
door dromen was ik in de boot genomen

-5-

gewone jongen

(met dank aan de dichters Hendrik Marsman en Willem Kloos)

de dichter droomt van oeverloze stromen
die traag door een oneindig laagland gaan
hij peinst over de zin van het bestaan
en wat er na de dood zoal zal komen

hij is een god in ’t diepst van zijn gedachten
z’n ganzenveer regeert het perkament
beschrijft de wolkenvelden die frequent
extase dan wel zwaar gemijmer brachten

hij weent om bloemen in de knop gebroken
om vrede die zo kort slechts mocht bestaan
en om de liefdes die hij steeds voorbij zag gaan

zo staat hij daar, diep in z’n kraag gedoken
gerinkel klinkt, nog één blik op het zwerk
dan komt lijn 6 en gaat hij naar zijn werk

-6-

het leven is prachtig

mijn God wat is het leven nu weer heerlijk
wat is het fijn om heel vroeg op te staan
geweldig zelfs om naar m’n werk te gaan
en ook m’n eigen vrouw is zeer begeerlijk

mijn passie voor haar valt niet meer te blussen
we zijn na ‘t liefdesspel geheel voldaan
ik sleep boeketten bloemen voor haar aan
en ben in staat m’n schoonmoeder te kussen

zoals het spreekwoord luidt: ‘het kan verkeren’
wat hingen al die donderwolken laag
geen glimlach en geen lust om te begeren

nu is mijn levenshonger niet te stillen
perfect! fantastisch!… alles doe ik graag
dank u dokter, dank u voor die pillen

-7-

het land van vreemde klanken

het land van vreemde klanken is nabij
ik hoef nog slechts een dijk te overbruggen
verborgen achter wolken woeste muggen
ligt daar het thuis van kruidkoek en stabij

wat brengt mij in die kille negorij
hoe heeft een stadsmens zo diep kunnen zinken
in Moddergat een beerenburg te drinken
de fierljep van mijn huis naar woestenij

hier trouwt mijn liefste Tjitske met haar Tjerk
waar tjokvol tjotters door de vaarten dolen
geeft zij hem nu het jawoord in de kerk

oh wat haat ik tjalk en skûtsjesilen
dit lege landschap heeft mijn schat gestolen
mij rest niet meer dan moedeloos te knielen

-8-

paarse vijver

hij spiegelt zich in ‘t stille vijverwater
vanuit z’n torenraam blikt hij omlaag
en zoekt de diepste gronden van Den Haag
de bodem van de politieke krater

de kalme vijver dampt of is het rook
die opstijgt van een smeulend vagevuur
plots borrelt hij sinister en obscuur
vanaf het eiland lacht het rode spook

vanachter buigend groen zo goed verborgen
tovert hij mist die opduikt flard na flard
stemmen komen nader, baren zorgen

wat hemelsblauw was is nu duivelszwart
de zekerheid vervaagt tot heel misschien
in ‘t donker zijn geen kleuren meer te zien

-9-

pil van Drion

de trein naar het hiernamaals is vertrokken
en neemt de laatste van zijn vrienden mee
voor hem was er geen plaats in de coupé
de wind speelt met zijn grijs geworden lokken

in tranen blijft hij achter op ‘t perron
er rest niet meer dan een vertwijfeld staren
naar hen die aan ’t loket gelukkig waren
hij wuift nog zinloos naar de horizon

de zuster houdt hem warm met jas en das
en duwt de rolstoel met beleid naar later
wat jaren die geen mens hem zal benijden

hij haat de arts die hem opnieuw genas
wanneer komt er een eind aan het theater
oh… had hij maar een pil die kan bevrijden

-10-

principes

uit principe heb ik geen principes
natuurlijk vind ik dingen goed of fout
toch laten vaste stelregels mij koud
ik behoor nu eenmaal tot de types

die niet in ‘t labyrinth van idealen
of in de vaak zo zinloze geboden
ons opgelegd door dubieuze goden
tijdens de levensweg onthutst verdwalen

vertrouwend op mijn eer en mijn geweten
soms wat verstand, doch vaak is het gevoel
dat onbedoeld mijn doen en laten stuurt

met vingertoppen die de warmte meten
en ogen die gericht zijn op een doel
bouw ik mijn burcht, maar laat hem on-ommuurd

-11-

Scheveningen

dan wijkt het lange lint van zilver zand
voor uitgestoken broodmagere armen
sirenen vluchten lijdzaam voor erbarmen
geen scherpe rotsen maar een veilig land

voorbij de havenhoofden zwarte kaden
verworden zeebenen tot vaste voeten
geen lager wal meer of het eeuwig boeten
van vissersvrouwen door de zee verraden

het onheil komt niet van de woeste vloed
maar van een wassend oord achter de duinen
dat tot het rijk van Nereus groeien moet

gemeenschap die tot wijk vervallen is
veel torens boven de behelmde kruinen
Den Haag ruikt hier naar Noordzee en naar vis

-12-

reünie

de lange gangen met de vale tegels
-er hing nog steeds de geur van natte jassen-
leidden onveranderd naar de klassen
waar ik zuchtte onder strenge regels

ik had gezworen nooit terug te keren
tot ik die lijst zag met daarop jouw naam
het stille meisje bij het hoge raam
dat mij geduldig hielp Latijn te leren

je ogen glansden vurig als voorheen
dezelfde zachte stem, nog steeds verlegen
waarom gingen de wegen toch uiteen

ik voelde het werd tijd voor klare wijn
en zei wat ik die jaren had verzwegen:
we zijn nog niet aan ‘t eind van ons Latijn

-13-

de zee geeft, de zee neemt

ik struikel over dichters op het strand
ze zijn in drommen naar de zee gekomen
hun adoratie doet het water stomen
de blik naar boven, pen reeds in de hand

ze schrijven over sporen in het zand
die weer verdwijnen bij het overstromen
ik hoor ze over wolkenluchten bomen
hun Lourdes is de zilte waterkant

dan wordt het Nereus eindelijk te veel
hij heeft op wrede wijze wraak genomen
de druppel was het zoveelste cliché

hij vloog het dichtersvolkje naar de keel
de springvloed viel door niemand in te tomen
er drijven dode dichters in de zee

-14-

de Haagse toren

het godshuis is door heidenen bezet
hun dienst vindt plaats op de verloren graven
waarbij zij niet vergeten zich te laven
alleen de toren is nog niet besmet

door wat ver onder hem zoal passeert
zijn kruin verkeert nog steeds in hoger sferen
ver boven al het aardse potverteren
houdt hij zich kranig staande, onverveerd

hij zag de mensen gaan, de mensen komen
die tempels bouwden rond de groene haag
soms blikt hij licht geamuseerd omlaag

naar wat zich afspeelt onder wijze bomen
en laatst zag ik, al was het maar heel even
hem naar omhoog een steelse knipoog geven

-15-

Heinz (1929-1945)

de zerken staan er keurig in ’t gelid
als soldaten op gemillimeterd gras
exercitie komt nog altijd goed van pas
ook als het lijf de ziel niet meer bezit

hier rusten wat men noemt de Nazi-zwijnen
zij werden bij hun moeder weggerukt
of haastig uit de schoolbanken geplukt
de kronkels van de dood in rechte lijnen

hun noodlot was het om gehaat te worden
te sneuvelen als rot kanonnenvlees
dat men de duivel opgelucht mocht schenken

die slachtoffers van geestelijk gestoorden
naar wie men met de vinger immer wees
zal men hen straks op 4 mei ook herdenken

-16-

hoog Den Haag

nederig en klein
kijk ik bedeesd omhoog
niet te bereiken top
ik voel mij als een dwerg
die Goliath aanschouwt
en vrees nooit
te bedwingen:
de Lange Vijverberg.

Weer een besneeuwde alp
doemt op in het vizier
de paden ga ik op
de wandelschoenen aan
de Zeven Heuvelenweg
is slechts wat kinderwerk
bij wat ik moet doorstaan
op de Daal en Bergselaan

en dan de hellingproef
die ik moet ondergaan
is dit nog steeds Den Haag
of is het Zwitserland
de boomgrens is bereikt
meewarig blikt de gems
als ik tenslotte strand
op het toren Hoge Zand.

-17-

idealen

daar sta je dan, zo vele jaren ouder
gevangene van werk en hypotheek
het wrede web dat onvermijdbaar bleek
de warme nachten werden alsmaar kouder

bevlogen waren toen je mooie woorden
de blije teksten die geen mens meer leest
want vliegensvlug bezweek de vrije geest
gevlogen zijn de vrienden die je hoorden

al spoken ze nog altijd door je brein
ze huizen nu in verre gouden kooien
waaraan ze door de plicht geketend zijn

wie mocht zelf de levensweg bepalen
en vrijuit met z’n overtuiging strooien
wie heeft er nog moed voor idealen

-18-

nooit meer

nooit meer zal’k je ranke lichaam strelen
of je met m’n lippen zacht beroeren
nimmer zal je geur me nog vervoeren
of mijn warme hand fijn met je spelen

verdwenen ben je, opgegaan in rook
geen troost zal ik nog ooit mogen ontvangen
ik wou je graag, jij brandde van verlangen
als ik je nodig had, was je er ook

je hebt me zo’n intens genot geschonken
het harde leven leefbaarder gemaakt
nu het uit is lijkt m’n lot beklonken

hoe nu verder, zo van jou verstoken
jij die m’n hart en ziel zo hebt geraakt
het is voorbij: ik ben gestopt met roken

-19-

kleurenblind

nee, nee… het is geen rood, het is scharlaken
met hier en daar een vleugje zacht karmijn
pal naast de zon een streepje karmozijn
zijn dichterschap dat schreeuwt hij van de daken

eenvoudig rood tot vermiljoen verworden
de hei geschetst in volle purp’ren pracht
het lover toont hem schatten van smaragd
zo brengt zijn gulden pen hem kleurakkoorden

hij heeft zijn eigen wereldje geschapen
alwaar de wind hem voert op ijle luchten
uitsluitend om de waarheid te ontvluchten
de waarheid die een hel maakt van het slapen

-20-

nadagen

de zon doet ongelofelijk haar best
smijt onbaatzuchtig met de laatste krachten
-de kou laat nu niet lang meer op zich wachten-
zij strooit de levensvreugd die haar nog rest

de zomergasten zijn nog niet vertrokken
ze wachten op het teken voor de vlucht
de stilte wordt verbroken door gerucht
vanuit de verte roepen zacht de klokken

je strompelt op pantoffels stil naar buiten
gebroken door de slapeloze nachten
het kost je moeite om je vest te sluiten

na maanden zie ik weer een prille lach
zijn het de spuiten die de pijn verzachten
of is het doodgewoon die mooie dag

-21-

groeten uit Scheveningen

mijn God ik heb een hekel aan de zomer
’t stille strand voor kalme filosofen
bestaat niet meer, ‘k moet eraan geloven
weg lustoord voor de wandelaar en dromer

verdwenen zijn het ruisen van de golven
het zwarte zwerk en de westenwinden
eenzaamheid is nergens meer te vinden
ik word nu onder het kabaal bedolven

het blèren van gebruinde oliesmeerders
kinderen die oorverdovend schreeuwen
(verlang weer naar ‘t krijsen van de meeuwen)
terrassen vol met naakte potverteerders

ik ruik geen geur meer van het zilte nat
en struikel over emmertjes en scheppen
(je zou die peuters zo de zee in meppen)
heel Scheveningen stinkt naar de patat

-22-

wildplasser

ach ja, zo’n avond stappen op het Plein
na weer een zware week van zinloos zwoegen
blijft toch iedere keer een waar genoegen
een rokerig maar sfeervol samenzijn

pas later op de avond daagt venijn
van bier gedronken in de vele kroegen
(waar vrienden je zo vaak naar buiten droegen)
het oude liedje met een triest refrein

gebruik van bier heeft echter ook nog tegen
-de kenners weten van dit fenomeen-
het feit dat je zo vaak de blaas moet legen

een muur, een boom…, maar soms maak je het doller
-je moet toch ergens met die ballast heen-
en wordt de oude Hofvijver iets voller

-23-

vogelvriend

vertel nou niet dat u er wel kunt slapen
dat u tot rust komt in zo’n vredig bos
u maakt een peluwtje van mollig mos
en weldra volgt een zeer hardnekkig gapen

mij is dat voorrecht nooit te beurt gevallen
als ik mij neervlij tussen het struweel
begint een duif met opgezette keel
mijn zo begeerde dagrust te vergallen

word ik gestoord door luid gekras van kraaien
beginnen mezen aan een druk gesprek
(hun vals gekwetter maakt mij knettergek)
en hoor ik sappig Vlaams van domme gaaien

al snel begin ik van de kook te raken
dan tjift een blije tjiftjaf lustig tjaf
en zeer geïrriteerd vraag ik mij af:
hoe zou tjaptjoi met vlees van tjiftjaf smaken?

-24-

het regent in Den Haag

de brede lanen stralen onbehagen
regen teistert urenlang de straten
nergens zijn de pleinen zo verlaten
je hoort doorweekte panden kleumend klagen

vernederd door verbeten westenwinden
buigen moede bomen naar het oosten
grauwe luchten die met kilte proosten
als twee geliefden die elkaar weer vinden

pas de deux van glanzend duister asfalt
met donkere hardvochtig vale muren
verzopen stad die toch de vuisten balt

de rechte rug verhindert ja en amen
weerbaar strijdt zij tegen godenkuren
ook kleddernat blijft ze een trotse dame

-25-

traag

het wachten lijkt een eeuwigheid te duren
de klok kruipt trager dan de wanhoop groeit
geen tijdschrift dat mij enigszins maar boeit
ik vegeteer hier lijdelijk m’n uren

mijn hand verbergt een onvermijdbaar gapen
geduld is hier een uitgemaakte zaak
het onbegrip is volop in de maak
ik wil gaan tellen, maar ik zie geen schapen

dan plotseling bespeur ik traag bewegen
nog even denk ik en het feest vangt aan
dat even valt toch nog behoorlijk tegen

en net als ik de strijd dan op wil geven
verschijnt het beeld, mijn jubel is spontaan
de zo vervloekte website komt tot leven

-26-

stemmen

de stilte valt niet langer te verduren
na warme liefde kwam een kil tabee
ze nam de blije kinderstemmen mee
maar liet de echo tussen kale muren

de straat lonkt om de leegte te ontvluchten
op zoek naar iets, naar God mag weten wat
zo sjok je uren doelloos door de stad
in plaats van sterren pluk je wrange vruchten

verloren in de overvolle straten
met duizenden maar altijd nog alleen
de echo wil zijn gastheer niet verlaten

je gaat en houdt de drukte voor gezien
rijgt flarden van gedachten weer aaneen
en thuis zet je de stereo op tien

-27-

winterkinderen

wat weten jonge dichters van de kou
ze zijn nog in de lente van hun leven
ik zie het prille dons nog aan ze kleven
ze gissen slechts naar wanhoop en berouw

hun winter is een heerlijk sleetjerijden
een zweven op de gladgeslepen noren
de pijn beperkt tot tintelende oren
geen flauw benul van ongeneeslijk lijden

toch zullen jonge dichters eens bevriezen
of kennismaken met het zwarte wak
hun onschuld zal het van de vorst verliezen

maar laat ze even in het paradijs
onwetend van de naderende smak
de schaduw die ze inhaalt op het ijs

-28-

Sjoukje Dijkstra

ik heb Sjoukje nog zien rijden
achterwaartse achten
kalligrafeerden het ijs
diepe haast achteloze voren

de vrije kür een Friese samba
op diepgevroren water
bevrijde onderkoelde passie
het einde van de ijstijd

na de dubbele rittberger
schonk mijn vader
een dubbele whisky (on the rocks)
starend naar het glas
wachtend tot het ijs zou smelten

-29-

Shinji Ono

geen uitbarsting van woede
berusting bij de oude Fuji
timide rookpluim
een stille traan van magma

de zoon van de keizer moest gaan
bij het licht van de rijzende zon
naar kolkende krater
aan vreemde stroom

een strelende voet
veroorzaakt eruptie
bescheiden glimlach en
buiging van rijzende ster

-30-

bezoek

haar kamer is doortrokken van de geur
van lakens die al ongewassen drogen
ze schaamt zich voor 't fysieke onvermogen
al jaren staart ze hoopvol naar de deur

die af en toe de gasten binnenlaat
dan voelt ze wat afstandelijke kussen
ze speelt de vreugde, maar ze hoopt intussen
dat iedereen zo snel als kan weer gaat

het wachten is alleen nog maar op hem
van wie ze vroeger nooit iets weten wou
ze hunkert naar zijn fluisterende stem

dan hoort ze in de slaap een schuchter kraken
een windvleug doet haar rillen van de kou
hij streelt haar hand nog voor ze kan ontwaken

-31-

jachtlust

als jager schiet je immer in de roos
de jacht is goed voor ieders welbehagen
vooral gejaagde mensen moeten jagen
dan worden ze weer rustig na een poos

die rust is voor de jager onontbeerlijk
hij moet geduldig wachten tot z’n schot
hem bijna doet ontploffen van genot
alweer een prooi, wat is het leven heerlijk

z’n vrouw is niet verguld met de trofeeën
waarmee hij bij het jagersgilde scoort
ze vindt zijn grootste passie ongehoord

hij jaagt niet op fazanten of op reeën
-al schiet hij af en toe de grootste bokken-
zijn wanden zijn getooid met mooie rokken

-32-

gespleten stad

je denkt aan krijtstreep met een aktetas
aan paraplu en ‘t elegant flaneren
van bonte dames naast correcte heren
bevroren glimlach boven grijze jas

je denkt aan sportschool en het klatergoud
aan tatoeages, bier en zonnebanken
die passen bij de goddeloze klanken
van dialect dat primitief wordt uitgekauwd

onzichtbaar blijft de oude muur in stand
tussen het hoge zand en ‘t lage veen
men heeft het trotse eibernest gemeen

maar blijft hardnekkig in het eigen land
apartheid blijft bestaan zonder bezwaren
pitbull en poedel zullen nimmer paren

-33-

fotoboek

hij kijkt me aan vanuit het fotoboek
het jochie met de veel te grote pet
een hard maar ook vertederend portret
zijn stille ogen naar geluk op zoek

donker Den Haag nu ruim een eeuw geleden
lang voordat Drees zijn zegeningen bracht
met kerk en kapitaal nog aan de macht
een sloppenwijk zoals in vele steden

de foto’s geven een romantisch beeld
van sleetse panden in te smalle straten
van het zonlicht en van God verlaten

waar weinigen met voorspoed zijn bedeeld
‘kleurrijke buurt’ staat er zo fraai beschreven
maar in zwart-wit zie ik het ware leven

-34-

en nooit meer zal ik drinken

zo zalig is aanvankelijk de reis
ik ben met een ballon de grond ontstegen
(door volle glazen vliegensvlug te legen)
en even ruik ik aan het paradijs

met doodsverachting klim ik op de rand
het zicht is door een witte wolk verdreven
dan galmt m’n strijdkreet: dichters kunnen zweven!
bevlogen neem ik afscheid van de mand

de hoogste tijd nu voor de (para)chute
(dat ben ik zo gewend na de kwatrijnen)
maar waar is nou dat ding! Roep ik ontzet

de nood is nu toch minimaal acuut
de laatste strohalm zie ik snel verdwijnen
al zwetend word ik wakker… naast m’n bed

-35-

een droevig lot

een laagje schijn bedekt de ware aard
het broze vlies van scholing en manieren
waar onderhuids verlangens welig tieren
toont hij zich vaak zo keurig en bedaard

het zijn de schimmen die zijn lijf bewonen
alleen hun klauwen draaien aan het roer
lak aan de duivel en z’n malle moer
een man is weerloos slaaf van zijn hormonen

hij zoekt de prooi als in vervlogen jaren
al draagt hij nu een maatpak en een das
de man is toch gebleven wat hij was:
een jagend beest… en altijd moet hij paren

-36-

een blije trambestuurder in 2010

de starre blikken in de
vroege maandagmorgen-tram
van reizigers
weerspiegeld in de ruiten
de banken vol met zware zwijgzaamheid
het deert mij niet
men hoort mij vrolijk fluiten

als blinkend boegbeeld van de trotse HTM
zeg ik mijn goede morgens en ik stempel
in het besef ‘er is geen weg terug’
vandaag is het zover, warempel!

weg is de vage angst
het veld geruimd voor hopen
nu mag ik ondergronds
de tramtunnel is open

-37-

dronken dichter

als je dronken bent kun je niet dichten
beneveld door de vele glazen bier
verschijnt er slechts de waarheid op papier
die helaas het leed niet kan verlichten

uren later na wat wrakke dromen
als de kater spint na zinloos moorden
welt de diepe bron vol stille woorden
traag beklimt je pen de hoogste bomen

een beter uitzicht, dichte mist vertrekt
en diepe spijt verschijnt in het vizier
het lek gedicht, het prille licht ontdekt

in sluimertoestand na de dronkenschap
na afscheid van de cirkelende gier
ontwaken fraaie zinnen… stap voor stap

-38-

kortstondige vriendschap

ik zag je aan zo’n godverlaten toog
er groeide vriendschap die wat glazen duurde
ik sprak terwijl jij onbewogen tuurde
en stil vernam wat mij zoal bewoog

je stelde mij totaal op m’n gemak
voor even nam ik afscheid van de aarde
maar toen mijn blik je glazen ziel ontwaarde
bestelde ik … een nieuwe fles cognac

-39-

de liefde is geen sprookje

ze leek wel uit een sprookje weggelopen
een blonde en bekoorlijke prinses
dus prompt vergat ik elke wijze les
daar ging de pijlenkoker weer eens open

en Amor bleek een ware Wilhelm Tell
haar hart werd door zijn eerste pijl gevonden
vervolgens vonden wij elkanders monden
een kus zo warm als zand in de Sahel

dat kussen had ik beter kunnen laten
waarom zijn mannen slaven van de seks
het was te laat, berouw mocht niet meer baten

ik was zelfs niet in staat een kreet te slaken
mijn liefste bleek betoverd door een heks
ze was een kikvors en begon te kwaken

-40-

déjà vu

de dagen slijt hij in een ver verleden
omgeven door stellages met papier
hij waant zich in een lusthof vol vertier
vergeelde akten met erfdienstbaarheden

het later komt aan hem voorbijgeschreden
in teksten nog geschreven met de hand
wat vroeger was herhaalt zich haast gênant
de nieuwste paden zijn reeds lang betreden

wat is het leven meer dan eb en vloed
hij heeft de golven vaak zien gaan en komen
en telkens weer de dageraad ontmoet

geamuseerd ziet hij het beeld van nu
het wordt voor kennisgeving aangenomen
hij glimlacht vaag en mompelt: ‘déjà vu’

-41-

worsteling

je wilt wel, maar je komt niet uit je woorden
een stotterende pen met stroop gevuld
speelt poker met je dichterlijk geduld
wat losse tonen zijn nog geen akkoorden

de worsteling verandert in chagrijnen
met lijden is de dichtkunst nauw verwant
en menig dichter zag zijn schip gestrand
omdat geen dokter raad weet met kwatrijnen

ook volgen na het ziekbed nog terzinen
blijkt ‘luctor et emergo’ toch een fabel
en is ‘je maintiendrai’ zeer discutabel

het liefst zou je nu maar een potje grienen
je denkt al snel van gooi maar in m’n pet
ik kap ermee, dan schrijf ik geen sonnet

-42-

mijn kruis

een bijbelvertelling

de lijdensweg begon na het bevallen
m’n aanblik deed de kraamvisite proesten
m'n ouders wisten ook niet wat ze moesten
me houden of me elders zien te stallen

ik ben niet wat je noemt een godenzoon
en vrees zelfs dat Hij zich voor mij zou schamen
(dat jong is niet van mij, ik zweer het …amen!)
maar ook van ‘s duivels zijde treft mij hoon

ik mag slechts tegen beter weten hopen
dat Hij me zal verlossen door een teken
(al is die hoop behoorlijk aan 't verflauwen)

nooit heb ik over water kunnen lopen
zelfs over land vertoont mijn tred gebreken
geen wonder met het kruis dat ik moet sjouwen

-43-

Bezuidenhout

Verdwaalde bommen sloegen wonden in de wijk.
Een architect, als tandarts, deed z’n werk
vulde gaten met z’n torens. Hij werd rijk.
Maar waar is nu mijn uitzicht op het zwerk?

Het zijn de wolkenvelden die ik node mis.
Haagse Poort die door de noeste handen
van bouwvakkers tot blinde muur geworden is.
Met dank aan Nationale Nederlanden.

Kantoorpaleizen in een wijk waar ’t wonen
door dagelijkse arbeid wordt vervangen
Tot meerdere eer en glorie van belangen.
Die, wat er ook gebeurt, de hebzucht tonen.

-44-

avondrood

je leefde mee met rode Viëtnamezen
natuurlijk Che Guevarra aan de wand
de Waarheid voelde leugens aan de tand
van kerk en kapitaal voorgoed genezen

de mildheid kwam na vele jaren strijden
van Mao restte slechts wat sentiment
je wilde haren werden permanent
getemd door stille en tevreden tijden

maar nu voor jou de herfst is ingetreden
zie je weer het schaamteloze graaien
bemerk je weer de slachtoffers in nood

ontwaakt een smeulend vuur uit het verleden
gaat een oude haan weer koning kraaien
en kleurt de zon de avondhemel rood

-45-

arme dichter

de dichter moet door diepe dalen gaan
zijn hele leven is een trieste bende
waar tijd verstrijkt met zwelgen in ellende
de wanhoop is niet bij hem weg te slaan

hij sleept zich voort, gebogen, ongeschoren
gekreukte lompen rond zijn krakend lijf
het drinken als voornaamste tijdverdrijf
de lach is plechtig door hem afgezworen

maar met zijn pen kan hij nog altijd zweven
en lijmt hij scherven tot een fraaie zin
akkoorden door de hemel ingegeven

waarmee hij scoort bij veel te jonge meiden
die schoonheid bij hem vinden binnenin
ach ja… een dichter kan niet altijd lijden

-46-

anorexia nervosa

de spiegel toont al beelden van het graf
een levend lijk met veel te jonge ogen
te licht bevonden maar te zwaar gewogen
de dood heeft weer een klusje bijna af

op zoek naar het vermaledijde vet
betast een iele hand de naakte feiten
haar lichaam stoort zich niet aan de verwijten
ze gaat steeds vaker schuldbewust naar bed

na het ontbijt de vingers in de keel
wat pillen die haar helpen bij ’t purgeren
nog altijd duidt de spiegel op te veel

en ziet ze al die grammen aan zich kleven
niemand die haar zo zal accepteren
dus vasten zal ze… tot ze echt kan zweven

-47-

alles kan maar tegenwoordig

in de oude boekenwinkel
stond duidelijk zichtbaar
ondanks schemer
-alles kan maar tegenwoordig-
Louis Couperus naast Jan Cremer

-48-

xeinaufaubie

(Hageneize teige diskriminazi)

in un land van sneiuw en ès
na un dolle dwaze daling
en un vluch ùit ut paradès
landde is un zaumegtaling

de ministah zag ut auk
bekeik angstag de herhaling
van de landing vannet spauk
zau andags dan de wintegtaling

men nam de zaumeggas gevange
(angstag klonk zèn ademhaling)
vreimde vaugels motte hange
men neim ons nie in de maling

gein vreimde taling in de bèt
lùidde èskâhd een bepaling
tot mèn allâhdiepste spèt
vol is vol, na deize dwaling

wegt de taling ùitgeweize
op bevel (zondâh vetaling)
en gerechtaghèd gepreize
jammâh voâh de zaumegtaling

Toelichting: een taling is een eend-achtige vogel, men onderscheidt de zomertaling en de wintertaling

-49-

HKV/Ons Èbernes

voâh mèn was spog -ik wis nie beitâh-
een veld doâh foebelers bemand
doch an ut mikke op de korref
hep dochteglief haah hag vepand

dus breng ik haah -ik zâh wel motte-
naah twei vakke vol genot (?)
hieâh had ik nauit van kenne draume
gein mens ken zèn toekomstag lot

waah jonge mède, jonge knulle
zeâh kogtaat de mâhwe straupe
en spogtief de vakke vulle
r ging een weireld voâh mèn aupe

trâh bezoek ze ellukke training
en werrep ze wel hondâhd balle
om -zoas zè dit veklaag-
straks nie doâh de mand te valle

dat mandsje zondâh dak en baudem
op een taurehauge paal
een wèsnuis sprak ‘út ken vekeire’
staat in mèn leive nu sentraal

ik hep mèn lot maah lere drage
ut bieâh smaak hieâh auk oppegbes
en niemand die mèn auit hoâh klage
bè HKV/Ons Èbernes

-50-

De tiete van De Haag

Soms, as ‘t vestand vebèstâhd wog,
wil zè naah Amstedam.
Schoâhvoetend gaattik maah akkoâhd,
laattut kaume zoas ‘t kwam.

Tautaal ontreddâhd volg ik haah,
een stemming as azèn.
Na ‘t winkele wil zè dan auk
nog naah ut Lèdseplèn.

‘Met ál die Amstedamse mense,
ál die lichies ‘s-avonds laat op dát plèn.
Aua, wat zâh ik god vewense,
as ik Amstedammâh zâh zèn’.

Tewèl ik nog maah één ding wil
trug naah de Haagse taure,
vraag zè me: schat, wat ben je stil,
heppie je tong velaure?

Ik glimlach kwasie achtelaus.
Wat gaan de ure traag.
En vraag hoe laat -haas haupelaus-
de trèn gaat naah De Haag.

Maah in de sneltrèn naah De Haag
ben ik weâh te geniete.
Want in de vegte zie k vaag,
twei vogstelijke tiete.

Toelichting: ‘De Haagse Tieten’ is de bijnaam van een ministerie in de wijk de Resident. De bijnaam is te danken aan de twee spitse torens die hoog boven de andere gebouwen uitsteken.